Speerpunt 2: kennis vergroten bij niet-OOB-accountantsorganisaties
Het tweede speerpunt van de AFM is meer kennis vergaren over niet-OOB-accountantsorganisaties en meer inzicht verkrijgen in de risico’s door instellingsspecifieke en -overstijgende onderzoeken. Hiervoor zal de AFM meer data uitvragen op organisatieniveau en op het niveau van de wettelijke controles, waarmee zij het toezicht op de naleving van de normen uit de Wta effectiever kan uitvoeren. Het toezicht zal zich vooral richten op stimulering van het lerend vermogen van de sector en het werken aan verbeteringen die bijdragen aan kwaliteitsborging. De AFM wil daarnaast kwaliteitsbelemmerende risico’s beperken en strategieën ontwikkelen om toekomstige risico’s te verkleinen.
Momenteel zijn er ongeveer 260 accountantskantoren in Nederland met een Wta-vergunning en dus wettelijke controles mogen uitvoeren. De AFM verwacht dat zij diepgaander onderzoek bij deze niet-OOB-accountantskantoren zal doen dan de NBA en SRA deden. Ook al zullen dat gestandaardiseerde onderzoeken zijn en geen maatwerk. De AFM voorspelt ook dat ongeveer de helft van de onderzochte kantoren te maken zal krijgen met toezichtbevindingen en vervolgstappen van de AFM. Toch gaat de toezichthouder waarschijnlijk slechts beperkt handhaven vanwege capaciteitsgebrek.
De indruk wordt gewekt dat hierbij naast een toetsende rol, ook een meer ‘ontwikkelende’ rol zal worden ingenomen ten aanzien van het bevorderen van het lerend vermogen van de sector. Natuurlijk mag daarbij van een toezichthouder geen ‘coachende’ rol worden verwacht. De AFM geeft ook aan dat er aandacht zal zijn voor de proportionaliteit. Dat wil zeggen dat bij de toetsing rekening zal worden gehouden met de grootte van de accountantsorganisatie.