Geen gezag tussen echtgenoten (I)
Tussen de echtgenote en de bv van haar man is geen sprake van een arbeidsovereenkomst, omdat de gezagsverhouding ontbreekt, aldus Rechtbank Limburg. Deze uitspaak gaat over het arbeidsrecht, maar is ook van belang voor de beoordeling van de verzekeringsplicht. De echtgenoten woonden vanaf 2015 niet meer samen en de bv heeft de overeenkomst met de vrouw opgezegd per 1 juni 2020. De bv ging er daarbij van uit dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht, de vrouw van een arbeidsovereenkomst. Zij verzoekt onder andere om een billijke vergoeding van ca. € 170.000 en circa € 50.000 transitievergoeding. Hoe oordeelt de rechter over deze echtelijke ruzie?
Commentaar
Gezagsverhouding tussen echtgenoten?
Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet aan de hand van alle relevante omstandigheden worden vastgesteld. De vrouw heeft feitelijk haar werkzaamheden voor haar echtgenoot (dga van de bv) verricht, waardoor een gezagsverhouding minder voor de hand ligt, aldus de rechter. Volgens de bv ontbrak een gezagsverhouding, omdat de vrouw niet vanuit de praktijk werkte, maar vanuit de (gezamenlijke) woning. De dga woonde daar sinds 2015 niet meer. De vrouw kon haar werk daardoor zonder direct toezicht uitvoeren. Verder was zij nagenoeg vrij in de invulling van de duur, inhoud en het tijdstip van haar werk en het opnemen van vakantie. De vrouw betwist al deze stellingen onvoldoende.
Hoog loon
De echtgenoot heeft haar enkele malen gevraagd om bepaalde werkzaamheden te verrichten. Dit wijst evenmin op een gezagsverhouding, omdat de opdrachtgever bij een overeenkomst van opdracht ook die bevoegdheid heeft. Verder weegt mee dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgesteld en dat de maandelijkse beloning ad € 6.200 in geen verhouding staat tot de relatief eenvoudige en parttime administratieve werkzaamheden. Dat past niet bij een zakelijke arbeidsovereenkomst. De boekhouder/accountant van de bv had de beloning om belastingtechnische redenen geadviseerd, om de winst zo te verlagen. De rechter ziet daarom in de hoge beloning een aanwijzing dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het feit dat er loonbelasting werd afgedragen, kan wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dit doet echter aan het voorgaande niet af. Bovendien zijn er geen premies werknemersverzekeringen afgedragen. De kantonrechter concludeert dat er geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan.