Tuinhuisjes plaatsende timmerlieden toch in dienstbetrekking
Een houthandel produceert tuinhuisjes en besteedt het plaatsen hiervan in de jaren 2013 tot en met 2017 uit aan vier timmerlieden (zzp’ers). Dit gebeurde zonder overeenkomst van opdracht en er was ook geen VAR-verklaring aanwezig. De houthandel maakte de tuinhuisjes op maat, zette de materialen klaar, leverde een bouwtekening voor de timmerlieden erbij, factureerde de klant voor het maken en plaatsen van de tuinhuisjes en was eindverantwoordelijke. De timmerlieden waren vrij om de opdracht aan te nemen, gebruikten eigen materialen, bepaalden zelf hun werktijden en werden per opdracht betaald. Rechtbank Zeeland oordeelde dat er sprake was van een gezagsverhouding.
Rechtbank Zeeland gaf in deze zaak het gelijk aan de inspecteur; de feiten en omstandigheden duiden op de aanwezigheid van een instructiebevoegdheid van de houthandel. De houthandel besprak met de klant wanneer de opdracht uitgevoerd moest worden en plande de opdrachten voor de timmerlieden in. Daarnaast werkten de timmerlieden voor een lange periode voor de houthandel voor een aanzienlijk aantal uren. Tot slot behoort het plaatsen van de tuinhuisjes tot de kernactiviteit van de houthandel, waarmee dit is in gebed in de organisatie. Dit alles duidde volgens de rechtbank op de aanwezigheid van een gezagsverhouding. De rechtbank achtte het wel aannemelijk dat de timmerlieden enige vrijheid hadden om de opdracht niet aan te nemen, maar dit woog niet zwaar genoeg om tot een ander oordeel te komen. De naheffingsaanslagen waren terecht opgelegd.
Belang feiten en omstandigheden
Deze uitspraak geef maar weer aan hoe belangrijk de feiten en omstandigheden zijn in de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking. Voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet aan drie voorwaarden voldaan zijn: de verplichting tot het betalen van loon, het verrichten van persoonlijke arbeid en de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
Opmerkelijk in deze zaak is dat ook over het jaar 2017 een naheffingsaanslag is opgelegd. Sinds de invoering van de Wet DBA in mei 2016 is de handhaving bij schijnzelfstandigheid namelijk uitgesteld.