UWV mag arbeidsongeschiktheid niet alleen laten beoordelen door basisartsen
Het UWV maakt – door gebrek aan voldoende verzekeringsartsen – bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen gebruik van (basis)artsen, die al dan niet in opleiding zijn tot verzekeringsarts. Deze artsen hebben niet de gespecialiseerde opleiding tot arts Arbeid en Gezondheid, verzekeringsgeneeskunde, afgerond en zij staan ook niet als verzekeringsarts geregistreerd in het BIG-register. De Centrale Raad van Beroep heeft die praktijk toegestaan. Met dien verstande dat het rapport van de arts inhoudelijk wordt getoetst en bevestigd én mede wordt ondertekend door een verzekeringsarts.
Als dit niet gebeurt, is het medisch onderzoek kwalitatief onvoldoende deugdelijk. Al kan dat in bezwaar nog door het UWV worden hersteld. In een recente uitspraak oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het niet aanvaardbaar is dat het UWV deze toets door een verzekeringsarts zowel in eerste aanleg als in bezwaar achterwege laat. De Centrale Raad van Beroep oordeelt nu – anders dan voorheen – dat dit gebrek niet is hersteld met het toetsen en akkoord bevinden van de medische heroverweging door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het UWV heeft namelijk gesteld dat deze toets slechts bestaat uit een beoordeling op hoofdlijnen. Daarbij wordt getoetst of de inhoud van het rapport logisch en consistent is, waarna op een (digitale) knop wordt gedrukt om het dossier te archiveren.
Tip
Het is verstandig dat zowel werkgevers (aan wie uitkeringen door het UWV worden toegerekend voor de premie Werkhervattingskas) als werknemers – aan wie het UWV een uitkering weigert – erop letten of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is uitgevoerd door een verzekeringsarts of een basisarts. In de praktijk blijken niet alle basisartsen altijd op de hoogte zijn van de geldende wet- en regelgeving, de rechtspraak en de richtlijnen van het UWV. Hierdoor kunnen deze artsen regelmatig onjuiste conclusies trekken. Werkgevers en werknemers doen er in het geval van basisartsen verstandig aan om tijdig (binnen 6 weken) bezwaar in te stellen.