Zijn oudere werknemers in het bedrijfsleven minder waard dan oudere ambtenaren bij de overheid?
De overheid heeft de AOW-leeftijd verhoogd, waardoor oudere werknemers worden geconfronteerd met een AOW-gat. Zij hebben namelijk voor de tijd tussen de 65-jarige leeftijd en de nieuwe AOW-gerechtigde leeftijd geen of onvoldoende financiële voorzieningen (anders dan de AOW) kunnen opbouwen. Dit treft niet slechts oudere werknemers op minimumniveau, maar ook alle middeninkomens. De overheid heeft ter rechtvaardiging van het AOW-gat allerlei standpunten, bijvoorbeeld dat die leeftijdsverhoging nodig is om de AOW betaalbaar te houden.
Voor ambtenaren in allerlei geledingen van de overheid (de landelijke overheid, provincies of gemeenten) gelden echter aanvullende financiële regelingen bij ziekte of werkloosheid vanaf 57,5 jaar tot de nieuwe AOW-leeftijd. Deze worden gefinancierd uit belastingopbrengsten, die mede zijn betaald door mensen met een AOW-gat.
Commentaar
Dit verschil tussen oudere werknemers in het bedrijfsleven en oude ambtenaren bij de overheid werpt meerdere vragen op. Gelden de standpunten van de overheid om de AOW betaalbaar te houden en werknemers in het bedrijfsleven met een AOW-gat te confronteren dan niet voor ambtenaren bij de overheid? En zo nee, waarom niet? Zijn oudere werknemers in het bedrijfsleven naar de mening van de overheid dan minder waard dan ambtenaren die bij de overheid werken? Veel oudere werknemers in het bedrijfsleven zullen deze verschillen als ‘onrechtvaardig’ ervaren.