Aftrek gemengde kosten FE in financiële instrumenten op effectenbeurzen
Een fiscale eenheid (FE) voor de btw handelt in financiële instrumenten op effectenbeurzen. Daarnaast verricht zij ondersteunende diensten aan buitenlandse dochter-bv’s tegen zogenoemde TNMM-vergoedingen en RPSM-betalingen. De diensten zijn btw-vrijgesteld. De FE heeft recht op vooraftrek voor zover de afnemers buiten de EU gevestigd zijn. Zij heeft tot 2016 met de inspecteur afgesproken dat de evenredige btw-aftrek op gemengde kosten als volgt wordt berekend: de verhouding EU/ niet-EU van het nominale handelsvolume op het brutohandelsresultaat. Vanaf 2016 zet de FE deze methode voort, maar wil zij de TNMM-vergoedingen en RPSM-betalingen in de verdeelsleutel betrekken, zodat zij meer vooraftrek heeft. Hoe loopt dit af?
De FE vindt dat de TNMM-vergoedingen en RPSM-betalingen – als omzet waarvoor recht op aftrek bestaat – meetellen in de pro-rata-berekening voor de btw-aftrek op de gemengde kosten. De inspecteur wil de afspraken alleen ongewijzigd voortzetten.
Uitspraak Hoge Raad
Hof Amsterdam stelt de inspecteur in het gelijk, maar de FE tekent cassatieberoep aan bij de Hoge Raad. De Raad stelt vast dat de FE na 2015:
- de afspraken over de pro-rataberekening van de btw-aftrek voor de gemengde kosten voor de effectentransacties wil voortzetten;
- voor de btw-aftrek voor de diensten aan de buitenlandse dochter-bv’s wil uitgaan van de wettelijke regeling (artikel 15 Wet OB en 11 Uitvoeringsbeschikking).
De Hoge Raad stelt ook vast dat de FE voor het vaststellen van de omvang van haar aftrekrecht met betrekking tot de gemengde kosten alles mag aandragen om de omvang van die aftrek te bewijzen. In dat kader neemt de FE het standpunt in dat vergoedingen voor effectentransacties kunnen worden bepaald volgens een methode die uitgaat van het brutohandelsresultaat van transacties in een bepaalde periode. Het hof had dit standpunt moeten onderzoeken, maar heeft dat nagelaten. De zaak moet daarom worden verwezen naar Hof Den Haag.