Onderwijsvrijstelling voor praktijkopleidingen
Een Britse school biedt bedrijfsmatig onderwijs aan op het gebied van de horeca en de podiumkunsten. De leerlingen in de horeca kunnen praktijkervaring opdoen in een opleidingsrestaurant en de leerlingen in de podiumkunsten verzorgen concerten en voorstellingen voor publiek. Van de bezoekers wordt in beide gevallen een kleine vergoeding gevraagd. Die vergoeding is onbelast voor zover deze diensten nauw samenhangen met het onderwijs, oordeelt het EU-Hof van Justitie. Voorwaarden zijn dat de diensten onmisbaar voor de opleiding zijn en niet bedoeld zijn om de school extra inkomsten te verschaffen.
Deze Britse zaak heeft waarschijnlijk ook gevolgen voor Nederlandse onderwijsinstellingen met leerbedrijven. Naast opleidingen in de horeca en podiumkunsten, betreft het dan bijvoorbeeld ook kappersopleidingen met eigen salons waar mensen tegen een kleine (niet-commerciële) vergoeding hun haar kunnen laten doen door leerlingen die zo praktijkervaring opdoen. Als deze prestaties kwalificeren voor de onderwijsvrijstelling en dus onbelast zijn, betekent dit ook dat de btw op de investeringen niet aftrekbaar is. Dit kan weer tot gevolg hebben dat de al afgetrokken btw moet worden herzien.
Tip
Heeft een onderwijsinstelling belang bij de btw-aftrek? In dat geval kan zij de diensten beter tegen commerciële prijzen aanbieden. De instelling genereert dan extra inkomsten. Op grond van de uitspraak van het EU-hof zijn de diensten dan belast, omdat dan in concurrentie wordt getreden met commerciële ondernemingen.