Parkeren bij attractiepark tegen 21% btw belast
Een bv exploiteert een attractiepark in Slagharen. Bezoekers kunnen tegen vergoeding hun auto bij het park parkeren. De bv brengt hierover 21% btw in rekening. Bij nader inzien meent zij dat toch het 6%-tarief van toepassing is, omdat de parkeerdienst een bijkomende dienst is bij het verlenen van toegang tot het attractiepark. Dat is onjuist, oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden. De parkeerdienst is een zelfstandige prestatie voor de gemiddelde consument. Parkeren is een doel op zich en geen middel om een bezoek aan het park (de hoofdprestatie) onder de best mogelijke omstandigheden te genieten. Ook is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
Er zijn inmiddels meerdere uitspraken geweest over het btw-tarief voor parkeren bij een attractiepark. Zo oordeelde Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2017:6302) dat het parkeren tegen 6% belast was. Onlangs draaide Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2017:4019) dit oordeel weer terug en besliste dat het parkeren toch tegen 21% belast is. Ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2017:3876)
oordeelde in die zin.
Feiten en omstandigheden bepalend
Hieruit kan worden geconcludeerd dat het vooral de feiten en omstandigheden zijn die bepalen of een parkeerdienst een bijkomende of een zelfstandige prestatie is. De motivering van de verschillende rechtbanken en hoven in vergelijkbare zaken is steeds dezelfde, maar de uitkomsten zijn dat niet. Op dit moment ligt de zaak over het btw-tarief voor parkeren bij Nationaal Park De Hoge Veluwe (ECLI:NL:GHARL:2016:7628) bij de Hoge Raad. De verwachting (en hoop) is dat de uitspraak van de Hoge Raad in deze zaak de nodige duidelijkheid zal verschaffen.
Tip
In de tussentijd is het in voorkomende gevallen verstandig om tijdig bezwaar te maken tegen de afdracht van 21% btw over de parkeergelden bij attractieparken en om te verzoeken om aanhouding van het bezwaar, totdat de Hoge Raad een beslissing heeft genomen.