Verschillende pro-rata-berekeningen btw-aftrek
Heb je cliënten die ook in andere EU-lidstaten gevestigd zijn met een of meer vaste inrichtingen? Dan wordt de pro-rata-berekening van de btw-aftrek op de algemene kosten mogelijk een ingewikkelde exercitie na een recente uitspraak van het EU-Hof van Justitie. Het EU-hof oordeelt dat een Frans filiaal van een Britse financiële instelling voor de pro-rata-berekening van de btw-aftrek van kosten onderscheid moet maken tussen de ‘eigen’ kosten en de kosten die uitsluitend of deels voor het hoofdkantoor in Groot-Brittannië worden gemaakt. Het filiaal kreeg daardoor te maken met verschillende pro-rata-berekeningen.
De btw-aftrek van kosten die het filiaal uitsluitend maakt ten behoeve van het hoofdkantoor in Groot-Brittannië moet volgens het EU-Hof worden berekend op basis van de omzetverhouding van het Britse hoofdkantoor. De btw-aftrek van kosten die het filiaal deels maakt voor eigen gebruik en deels ten behoeve van het hoofdkantoor in Groot-Brittannië moet volgens het EU-hof worden berekend op basis van de omzetverhouding van het filiaal en het Britse hoofdkantoor tezamen.
Gevolgen voor de Nederlandse praktijk
Nederlandse btw-ondernemers hanteren nu nog vaak één pro-rata voor de berekening van de btw-aftrek op de algemene kosten. Op grond van deze uitspraak van het EU-Hof moeten zij voortaan echter eerst beoordelen of de kosten uitsluitend of deels worden gemaakt voor de hoofdvestiging, om het btw-aftrekrecht te kunnen bepalen. Dit sluit ook aan bij het beleid van de staatssecretaris. Daarin mogen btw-ondernemers rekening houden met het btw-aftrekrecht van een vestiging in het buitenland, wanneer de kosten mede ten behoeve van de buitenlandse vestiging worden gebruikt. Daarnaast zal bij de berekening van de btw-aftrek rekening moeten worden gehouden met de verschillen in de aftrekbeperkingen tussen de lidstaten. Er mag volgens het EU-Hof bij de pro-rata-berekening namelijk alleen omzet in aanmerking genomen worden, die in beide lidstaten leidt tot aftrek van btw.