Aftrek voorziening verlies garantstelling – Paraplukrediet-arrest geldt niet
Een bv stelt zich in 2003 garant voor het bankkrediet van haar dochter-bv zonder extra zekerheden te stellen. Zij vormt over 2012 een voorziening voor de openstaande schulden van de dochter-bv, die in 2013 failliet gaat. De bv boekt de voorziening af ten laste van haar winst. De Hoge Raad oordeelt – net als het hof – dat dit is toegestaan, omdat de aanvaarding van de aansprakelijkheid op zakelijke gronden is gebaseerd. Deze vloeit niet slechts voort uit aandeelhoudersbelangen. De staatssecretaris interpreteert de drie criteria van het Paraplukrediet-arrest te ruim. De garantstelling voldoet niet aan alle criteria van dit arrest en is dus aftrekbaar.
De Hoge Raad stelde in het Paraplukrediet-arrest de volgende drie criteria vast, waarbij de kosten van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schulden van verbonden vennootschappen niet aftrekbaar zijn:
- de vennootschap die de aansprakelijkheid aanvaardt, neemt deel aan een kredietarrangement waaraan ook andere vennootschappen van hetzelfde concern deelnemen; én
- waarbij de deelnemende vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle vorderingen van schuldeisers op de deelnemende vennootschappen in het kader van het kredietarrangement; én
- een regresvordering die ontstaat uit die aansprakelijkheid niet zal worden ingevorderd zolang de gehele uit het arrangement voortvloeide schuld niet is voldaan.
Wordt aan deze drie criteria voldaan, dan wordt het meetekenen voor de kredietfaciliteit geacht uitsluitend te berusten op de tussen de vennootschappen bestaande verbondenheid. De daarbij genomen risico’s liggen dan in de aandeelhouderssfeer.
Volgens de Hoge Raad wordt in het onderhavige geval echter niet aan deze strikte criteria voldaan.