Alleen binnenlands inkomen bepalend voor heffingskortingen
Een vrouw woont en werkt tot 31 juli 2020 in Nederland. De rest van het jaar woont en werkt zij in Brazilië. Zij is dan niet meer belasting- en premieplichtig in Nederland. Toch baseert de inspecteur de heffingskortingen in 2020 op het wereldinkomen van de vrouw. Volgens de vrouw behoort het door haar in Brazilië genoten loon niet tot het arbeidsinkomen en ook niet tot haar box-1-inkomen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt – in overeenstemming met het antwoord op de door haar gestelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad – dat alleen het binnenlandse inkomen bepalend is voor het recht op de heffingskortingen.
De Hoge Raad beantwoordde de prejudiciële vraag als volgt: ‘Voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig is geweest en de rest van het jaar in het geheel niet belastingplichtig is geweest in Nederland, moeten het inkomstenbelasting- en premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), en het premiedeel van de algemene heffingskorting, ook onder de met ingang van 2019 geldende wettelijke regeling, uitsluitend worden berekend op basis van het arbeidsinkomen respectievelijk het belastbare inkomen uit werk en woning dat is genoten in de periode van binnenlandse belastingplicht.’
De rechtbank heeft op grond van dit oordeel de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de IACK op basis van het binnenlandse inkomen naar boven bijgesteld.