Bestuurdersaansprakelijkheidsregeling niet in strijd met evenredigheidsbeginsel
In november 2024 oordeelde het EU-Hof van Justitie dat de Nederlandse regeling van de bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 36, lid 4 Invorderingswet) niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarmee werd de prejudiciële vraag van de Hoge Raad beantwoord in een zaak betreffende een bestuurder van een bv die niet tijdig de betalingsonmacht van zijn bv had gemeld en voor de belastingschulden aansprakelijk was gesteld. De Hoge Raad heeft nu conform het oordeel van het EU-hof beslist. De zware bewijslast die rust op de bestuurder kan dus door de beugel, maar de bestuurder moet wel voldoende mogelijkheden hebben om zijn onschuld te bewijzen.
De Hoge Raad voegt aan zijn oordeel nog een belangrijke overweging toe. Het onderhavige geval betreft slechts één bestuurder die aansprakelijk werd gesteld voor de onbetaalde belastingschulden van zijn bv. Een ander geval is dat er verschillende personen, bijvoorbeeld verschillende bestuurders van hetzelfde lichaam, aansprakelijk kunnen zijn voor een belastingschuld. Uit de aard van de zaak kan de Ontvanger dan een belangenafweging maken bij zijn beslissing wie van hen daarvoor aansprakelijk wordt of worden gesteld. Die belangenafweging kan hij in het geval van één bestuurder niet maken. Als het wenselijk wordt geacht dat de Ontvanger die ruimte wel heeft, is het aan de wetgever om de regeling over aansprakelijkstelling in de Invorderingswet 1990 daartoe aan te passen, aldus de Hoge Raad.
Zware bewijslast
Als een rechtspersoon niet tijdig of niet op de juiste wijze melding maakt van betalingsonmacht, wordt vermoed dat de niet-betaling van belastingschulden het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit vermoeden is wettelijk vastgelegd. Pas als de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet aan hem/haar te wijten is dat de melding niet tijdig of correct is gedaan, kan hij of zij tegenbewijs leveren tegen dit vermoeden.