Bezwaar maken tegen gemeentelijke heffingen – welke dan?
Een man kreeg van de gemeente Helmond een aanslag over 2019 opgelegd. In het aanslagbiljet werd de WOZ-beschikking vermeld, maar ook de aanslag voor afvalstoffenheffingen, de onroerendezaakbelastingen, de aanslag rioolheffing en de kosten voor grotere containers voor restafval en GFT-afval. De man maakt bezwaar tegen ‘de aanslag gemeentelijke heffingen’, waarbij hij verzoekt om een termijn om de gronden van zijn bezwaar aan te vullen. De heffingsambtenaar heeft hem twee keer de gelegenheid gegeven om die gronden aan te geven, maar heeft niets ontvangen. Hij heeft vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Maar was dat terecht?
Nadat de rechtbank en het hof de man in het gelijk hadden gesteld, trekt de heffingsambtenaar bij de Hoge Raad aan het langste eind. De Hoge Raad stelt vast dat het bezwaarschrift zich keert tegen ‘de aanslag gemeentelijke heffingen’ zonder nadere specificatie tegen welke heffing het bezwaar is gericht en zonder motivering. Hierdoor is niet voldaan aan de inhoudelijke eisen die de wet (artikel 6:5, lid 1, letter c en d Awb) stelt aan een bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft de man vervolgens de gelegenheid geboden om binnen een bepaalde termijn dit verzuim te herstellen. Toen dit herstel uitbleef, heeft hij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de voorwaarden die de wet (artikel 6:6 Awb) verbindt aan de niet-ontvankelijkverklaring.