Box-3-heffing ook in 2012 en 2013 geen buitensporige last
Een man heeft zijn buitenlandse vermogen in 2012 en 2013 niet aangegeven in zijn IB-aangiften. Hij geeft dit vermogen alsnog op met gebruikmaking van de inkeerregeling. De inspecteur legt hem over de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen op. De man maakt daartegen bezwaar, omdat dit in strijd zou zijn met artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM. Die strijdigheid is er niet, oordeelt Rechtbank Den Haag. Dat slechts enkele bezittingen geen rendement haalden van 4%, maakt de box-3-heffing nog niet tot een buitensporige last. Slechts als het rendement over een lange reeks jaren lager is dan 4%, kan daarvan pas sprake zijn.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2016*) over het jaar 2011. De Hoge Raad geeft in deze uitspraak aan dat als blijkt dat het veronderstelde rendement van 4% over een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is voor de particuliere belegger, het forfaitaire stelsel mogelijk in strijd kan zijn met het eerste Protocol bij het EVRM. Belastingplichtigen worden dan immers – mede gelet op het tarief – geconfronteerd met een buitensporig zware last. Voor het jaar 2011 was dit echter nog niet aan de orde.
‘Een lange reeks van jaren’
Er moet een duidelijk antwoord komen op de vraag: hoelang moet die reeks jaren duren waarin een rendement van 4% niet haalbaar blijkt te zijn geweest, voordat er wel sprake kan zijn van strijd met het eerste Protocol bij het EVRM? In de jaren na 2011 is de rente op spaarrekeningen bovendien alleen maar verder gedaald. Het nieuwe heffingssysteem dat sinds 1 januari 2017 geldt, maakt deze problematiek niet anders. De Hoge Raad zal toch een keer ‘om’ moeten gaan op grond van het zelf aangelegde criterium en duidelijk maken wanneer aan dit criterium van ‘een lange reeks van jaren’ is voldaan.