Bv mag kwijtscheldingswinst in 2011 verantwoorden
Een bv heeft een schuld van € 3,1 miljoen aan een Duitse GmbH. Als de GmbH in 2011 failliet wordt verklaard, sluit de bv met de curator in november 2011 een akkoord: de schuld wordt kwijtgescholden als de bv € 50.000 betaalt. De bv geeft vervolgens in de Vpb-aangifte 2011 een kwijtscheldingwinst aan van € 3.050.000 en verrekent deze met de verliezen over de periode 1992 -2001. De inspecteur stelt dat de bv de kwijtscheldingswinst in 2012 moet aangeven en verrekent de winst met de jaren 2006-2010. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak van de Hoge Raad. Het gelijk is echter aan de bv, oordeelt Hof Arnhem -Leeuwarden.
De rechtspraak van de Hoge Raad waarnaar de inspecteur verwijst betreft onder meer de volgende uitspraken: ECLI:NL:HR:2002:AE3269 en ECLI:NL:HR:2003:AF3653. De Hoge Raad oordeelt in deze uitspraken dat de winstneming in een bepaald jaar niet is toegestaan, omdat de vereiste goedkeuring van de crediteurenvergadering nog niet was verkregen. Het hof oordeelt echter dat de inspecteur deze uitspraken te eng interpreteert. In de uitspraken wordt namelijk bepaald wanneer de winst die ontstaat als schulden niet worden betaald, uiterlijk moet worden verantwoord. Daaruit is niet af te leiden dat winstneming inzake kwijtschelding niet eerder kan plaatsvinden dan in het jaar waarin vaststaat – of vrijwel zeker is – dat de schuld niet meer hoeft te worden betaald.
Voldoende aanknopingspunten
Volgens het hof zijn er voldoende aanknopingspunten om de kwijtscheldingwinst aan 2011 toe te rekenen. In november 2011 was er immers tussen de curator en de bv een akkoord bereikt over de voorwaarden, waaronder de schuld zou worden kwijtgescholden. De bv mocht daarom ook aannemen dat de schuld daadwerkelijk zou worden kwijtgescholden. Dat de crediteurenvergadering nog geen toestemming voor het akkoord had gegeven, doet hier volgens het hof niet aan af. Dit was namelijk nog slechts een formeel voorbehoud.