Fiscaal

Dga na verkoop aandelen geen economisch eigenaar meer

gepubliceerd op: 20 februari 2020

Een dga houdt via een holding-bv alle aandelen in twee dochter-bv’s (I bv en J bv). Hij heeft ook een eenmanszaak, waarin hij een garagebedrijf exploiteert met showroom en werkplaats en waarin hij onroerende zaken en vergunningen verhuurt. In 2003 neemt I bv de garageactiviteiten over en huurt de showroom van de dga. Die koopt in 2005 bouwgrond, waarop hij een garage met showroom en winkel laat bouwen, die hij sinds 12 januari 2006 verhuurt aan J bv. De holding verkoopt diezelfde dag 77 van de 80 aandelen in J bv. Is de dga desondanks de economisch eigenaar gebleven van de aandelen in J bv en vindt - als gevolg daarvan - de verhuur van de nieuwe showroom met winkel plaats vanuit box 1 of box 3?

Rechtbank Gelderland oordeelt dat het economisch belang na de verkoop van de aandelen is overgegaan op de kopers. Volgens de akte van levering komen de waardeveranderingen van de aandelen vanaf 13 juni 2005 voor rekening en risico van de kopers. Verder is niet gebleken dat er dividenduitkeringen toekomen aan de dga. Ook is niet gebleken dat er stemafspraken met de kopers/aandeelhouders zijn gemaakt, waardoor de dga als bestuurder van J bv feitelijk de zeggenschap zou hebben behouden. Er is geen sprake van een schijnhandeling. De dga heeft sinds 13 juni 2005 geen indirect aanmerkelijk belang meer in J bv. Daardoor is de terbeschikkingstelling (tbs) in box 1 beëindigd. De eventuele boekwinst (ruim € 900.000 volgens de inspecteur) op het aan J bv verhuurde pand had de inspecteur dus al in 2005  – en niet in 2006 – in aanmerking moeten nemen. Ook de tbs-correcties over de jaren 2006 t/m 2009 (bijna € 396.000) moeten worden teruggedraaid.

Het verhuurde pand en de bijbehorende hypotheekschuld behoren sinds 2005 bovendien tot het box-3-vermogen, zoals de dga ook had aangegeven in zijn IB-aangiften. Ook deze box-3-correcties gaan van tafel.

Overdracht garageactiviteiten aan I bv niet tijdelijk

In deze zaak speelt ook nog een andere discussie, namelijk de stelling van de dga dat hij de activiteiten van zijn eenmanszaak slechts tijdelijk aan I bv had overdragen. Hij had zijn onderneming dus niet gestaakt. Daar gaat de rechtbank niet in mee. De dga moet daarvoor aannemelijk maken dat op het moment van de tijdelijke overdracht al het voornemen bestond om de activiteiten na een redelijke termijn te hervatten. Daarin slaagt hij niet. Na de overdracht aan I bv verhuurt de dga via zijn eenmanszaak nog onroerende zaken en vergunningen. Dit kwalificeert niet als een materiële onderneming, maar als normaal vermogensbeheer in box 3. De eenmanszaak is gestaakt en de correcties van de stakingswinst en stakingswinstaftrek zijn terecht.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.