Fiscaal

Doorschuiffaciliteit aanmerkelijk belang geldt niet voor effecten en leningen

gepubliceerd op: 25 juni 2026

Vader was enig aandeelhouder van een holding die weer alle aandelen hield in een werkmaatschappij. Als hij in 2020 overlijdt, erven zijn twee zonen de aandelen in de holding en de activiteiten in de werkmaatschappij worden voortgezet. In de overlijdensaangifte IB 2020 wordt geen melding gemaakt van een fictieve vervreemding in box 2. Nadat de erven vragen ontvingen van de Belastingdienst, hebben zij een herziene aangifte IB 2020 ingediend met een beroep op de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a Wet IB 2001. De Belastingdienst corrigeert de herziene aangifte vanwege het in de bv’s aanwezige beleggingsvermogen (voornamelijk leningen aan derden en effecten).

 

Na afwijzing van het bezwaar gaan beide zonen in beroep bij de rechtbank. De Rechtbank Noord-Nederland geeft de inspecteur gelijk. De erven stelden onder andere dat de leningen en effecten als buffer dienden voor mindere tijden en om investeringen te doen. Volgens de rechtbank hebben ze dit niet aannemelijk gemaakt. Bovendien had de inspecteur van de liquide middelen al een bedrag van € 100.000 aangemerkt als ondernemingsvermogen.

Doelmatigheidsmarge
De inspecteur had ook nog de zogenaamde 5%-doelmatigheidsmarge toegepast. Dankzij deze marge wordt een deel van het beleggingsvermogen als ondernemingsvermogen aangemerkt. Deze marge is echter met ingang van 2026 afgeschaft voor de doorschuiffaciliteit in box 2. (Voor de erf- en schenkbelasting was deze regeling al in 2025 afgeschaft.) Dit betekent dat het toetsen van de omvang van het beleggingsvermogen bij het uitvoeren van een bedrijfsopvolging nu nog belangrijker is geworden.

Tip
Breng het beleggingsvermogen goed in kaart en overweeg (indien mogelijk) om het beleggingsvermogen uit te keren als dividend voordat de aandelen worden geschonken.

 

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.