Geen afwaardering onzakelijke lening aan gelieerde bv ten laste van de winst
Een bv vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) met een dochter-bv. Laatstgenoemde bv verstrekt een lening aan een zuster-bv, die deze gelden doorleent aan haar 100% Maltese dochter-bv. Deze bv houdt zich bezig met online gokactiviteiten. De bv waardeert de lening in 2019 af ten laste van haar winst. De inspecteur accepteert slechts een klein deel van de afwaardering, namelijk het deel dat overeenkomt met de tot en met 2016 verstrekte bedragen. Hij meent dat de lening onzakelijk is voor de latere verstrekkingen. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur zijn standpunt aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende feiten en omstandigheden:
- de bv heeft niet weersproken dat de Maltese dochter-bv helemaal met vreemd vermogen is gefinancierd;
- de bv heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de Maltese dochter-bv vanaf het begin negatief was, en ook is gebleven;
- de opbrengsten uit de activiteiten van de Maltese dochter-bv komen niet toe aan de bv maar aan anderen.
De rechtbank ziet in het voorgaande een bevestiging van het bewijsvermoeden dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de lening met een grote(re) risico-opslag – bijvoorbeeld een hoge(re) rente – aan de Maltese dochter-bv zou hebben uitgeleend. De stelling van de bv dat de banken geen financieringstoezegging hebben willen doen (omdat bancaire regels het financieren van online gokken verbieden), is onvoldoende om dit (bewijs)vermoeden te weerleggen. De lening is onzakelijk en kan daarom niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst van de bv. Het gelijk is hier aan de inspecteur.