Geen belastingrente over periode waarin Belastingdienst beschikt over betaling
Een dga betaalt volgens afspraak met de inspecteur € 450.000 vooruitlopend op de op te leggen voorlopige aanslag IB 2016. In de IB-aangifte 2016 geeft de dga echter per abuis de betaalde belasting aan als dividendbelasting en niet als te verrekenen betaling op een voorlopige aanslag. Bij het opleggen van de tweede voorlopige aanslag wordt de betaling daarom verwerkt als te verrekenen dividendbelasting én als te verrekenen betaalde aanslag. Met als gevolg dat de dga € 446.243 terugontvangt. Hij dient daarop een herziene IB-aangifte in, waarna de inspecteur een derde voorlopige aanslag oplegt, waarbij ook € 14.850 belastingrente in rekening wordt gebracht.
De belastingrente is berekend over € 450.000 en ook over de periode waarin de Belastingdienst over de betaling op de eerste voorlopige aanslag beschikte. Daarmee gaat de dga niet akkoord. De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur geen belastingrente mag berekenen over de periode waarin de Belastingdienst vanwege van de eerste voorlopige aanslag al beschikte over het bedrag van € 450.000. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2022, waarin een identieke zaak aan de orde was. De inspecteur mag daarom slechts belastingrente in rekening brengen over de periode vanaf 2 februari 2018 (datum van de tweede voorlopige aanslag) tot de einddatum van de belastingrentebeschikking. De rente moet bovendien worden berekend over de teruggaaf van € 446.243 en niet over € 450.000.