Geen FE bij ontbreken economische eigendom aandelen dochter-bv
Een holding-bv van een fiscale eenheid (FE) voor de Vpb investeert via een dochter-bv in een scheepvaartproject. De dochter-bv neemt als commanditaire vennoot deel in een cv die een zeeschip exploiteert. De holding-bv verzoekt en krijgt een beschikking fiscale eenheid, waardoor zij de regeling willekeurige afschrijving kan benutten. Bij een derdenonderzoek bij de initiatiefnemer van het scheepvaartproject stelt de inspecteur echter vast dat in de participatieovereenkomst met de initiatiefnemer een aanbiedingsrecht is opgenomen. De holding-bv moet na 3 jaar haar aandelen aanbieden tegen een vooraf afgesproken prijs. Krijgt dit een staartje?
De inspecteur meent dat de prijsafspraak ertoe leidt dat de holding-bv nooit de economische eigendom van de aandelen in de dochter-bv heeft gehad. Zij kan daardoor niet voldoen aan de voorwaarden (ten minste 95% aandelenbezit) voor de vorming van een FE met de dochter-bv. Hij draait daarom de beschikking FE terug en legt navorderingsaanslagen op aan de holding-bv.
Wat oordeelt het hof?
Hof Arnhem-Leeuwarden gaat hierin mee. Het hof stelt vast dat de prijs bij uitoefening van het aanbiedingsrecht het resultaat is van een vooraf afgesproken berekeningsmethode, waarbij de waarde van het schip en de belastinglatentie elkaar deels neutraliseren. Hierdoor is het risico op waardeveranderingen van de aandelen in de dochter-bv te zeer beperkt. De holding-bv is feitelijk nooit economisch eigenaar van de aandelen van de dochter-bv geweest. Hierdoor kan een FE niet zijn ontstaan. De navorderingsaanslagen blijven in stand.