Hoge Raad schept duidelijkheid over heffingskortingen bij emigratie
De Hoge Raad heeft een prejudiciële vraag van Rechtbank Zeeland-West-Brabant beantwoord over de berekening van de heffingskortingen bij een vrouw die in 2020 slechts een deel van het jaar belastingplichtig was in Nederland. Het andere deel van het jaar woonde en werkte zij in Brazilië en was zij niet belastingplichtig in Nederland. In de Nederlandse periode werkt ze in loondienst en is ze verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. De rechtbank wil weten hoe in deze situatie de hoogte van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) moet worden berekend.
De inspecteur in deze zaak is bij de berekening van de heffingskortingen uitgegaan van het wereldinkomen van de vrouw in het gehele jaar 2020. Volgens de vrouw behoort het door haar in de buitenlandse periode genoten loon niet tot het arbeidsinkomen en ook niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag als volgt: ‘Voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig is geweest en de rest van het jaar in het geheel niet belastingplichtig is geweest in Nederland, moeten het inkomstenbelasting- en premiedeel van de arbeidskorting en de IACK, en het premiedeel van de algemene heffingskorting, ook onder de met ingang van 2019 geldende wettelijke regeling, uitsluitend worden berekend op basis van het arbeidsinkomen respectievelijk het belastbare inkomen uit werk en woning dat is genoten in de periode van binnenlandse belastingplicht.’