KIA-claim vennoten samenwerkingsverband opnieuw afgeschoten
Een man drijft met een medevennoot een onderneming in een vof. Zij zijn ieder voor 50% gerechtigd tot de winst. De vof investeert € 128.018 in bedrijfsmiddelen. Daarvoor claimt de man in zijn IB-aangifte € 6.928 kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), ofwel de helft van de KIA over het totale investeringsbedrag. Daarop komt hij terug; hij stelt recht te hebben op € 13.852 KIA, omdat de gerechtigdheid tot de winst geen rol speelt bij de berekening van de KIA. Hof Den Haag wijst dit standpunt af. De KIA wordt berekend per belastingplichtige, maar voor het bepalen van het toepasselijke percentage wordt uitgegaan van de investeringen van de vof. Het percentage wordt vervolgens toegepast op ieders aandeel in die investeringen.
Het hof verwijst voor zijn uitspraak naar het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020, waarin de Hoge Raad duidelijkheid gaf over de berekeningswijze van de KIA bij investeringen in een samenwerkingsverband. Een van de firmanten in deze zaak had – naast de investeringen door de vof – ook buitenvennootschappelijke investeringen gedaan.
Verduidelijking Belastingplan 2021
In het Belastingplan 2021 zijn twee verduidelijkingen opgenomen over de berekeningswijze van de KIA bij samenwerkingsverbanden en bij meerdere ondernemingen.
Geven de eigen investeringen en die van de andere deelnemers aan het samenwerkingsverband samen recht op het maximumbedrag van de KIA? In dat geval heeft iedere deelnemer slechts recht op een evenredig deel van het maximumbedrag aan KIA voor het aandeel in het totaal van de investeringen.
Heeft een ondernemer meerdere ondernemingen, dan bepaal je de KIA per onderneming op basis van de investeringen die per onderneming zijn gedaan.