Ook in laatste uitspraken proefprocedures box-3-heffing toegestaan
Ook in de laatste twee proefprocedures tegen de box-3-heffing wordt de heffing over een forfaitair rendement van 4% in 2014 niet in strijd geacht met artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM. De zaken betreffen de procedures bij Rechtbank Noord-Nederland en Rechtbank Noord-Holland over de box-3-heffing in 2014. Opmerkelijk is dat Rechtbank Noord-Nederland invulling geeft aan het criterium van de Hoge Raad van 'een lange reeks van jaren' waarin het veronderstelde rendement van 4% niet meer haalbaar is voor particuliere beleggers. Daarvan kan volgens de rechtbank pas sprake zijn als na een verstreken periode van ten minste tien aaneengesloten jaren het rendement op risico-arme beleggingen telkens lager was dan 4%.
Onder risico-arme beleggingen verstaat Rechtbank Noord-Nederland onder meer staatsobligaties van landen met een hoge kredietwaardigheid, zoals Nederland. Eind 2013 werd (nog) niet voldaan aan de niet-haalbaarheidseis. In 2008 bedroeg de rente op staatsobligaties nog ongeveer 4%.
Rechtbank Noord-Holland*) oordeelt dat voor het voldoen aan het haalbaarheidscriterium van de Hoge Raad moet worden beoordeeld of dit rendement over het totale box-3-vermogen bezien over een lange termijn niet meer haalbaar is. Deze rechtbank wijst er bovendien op dat de wetgever inmiddels maatregelen heeft getroffen. Het systeem van de vermogensrendementsheffing is per 1 januari 2017 aangepast.
Commentaar
Er kan nog verder worden geprocedeerd, maar de kans is erg klein dat de box-3-heffing met succes wordt bestreden. De rechters willen hun vingers kennelijk niet branden aan een politiek gevoelig onderwerp als deze box-3-heffing. Zeker nu is uitgesproken dat de wetgever inmiddels maatregelen heeft getroffen. Hoewel menigeen ervan overtuigd is dat ook die maatregelen niet afdoende en onrechtvaardig zijn.