Opgelopen leningen zijn geen winstuitdeling aan plastisch chirurg
Een chirurg voert zijn werkzaamheden uit via zijn holding-bv. Hij heeft bij deze bv leningen die vanaf 2010 sterk oplopen door met name privéopnames. De inspecteur volgt de door de gemachtigde onder horizontaal toezicht ingediende aangifte IB 2010. Bij de afhandeling van de Vpb-aangifte 2010 neemt hij echter het standpunt in dat de opgelopen leningen een belaste winstuitdeling vormen aan de chirurg. Hij legt daarom alsnog een navorderingsaanslag IB 2010 op. De chirurg meent dat hij erop mag vertrouwen dat de leningen geen uitdeling zijn, omdat de aangifte IB 2010 is ingediend onder horizontaal toezicht en de inspecteur deze aangifte niet heeft gecorrigeerd.
Het hof stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens het hof heeft de bv in 2010 feitelijk haar rechten prijsgegeven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat:
- de leningen in 2010 sterk oplopen door privéopnames van de chirurg;
- de consumptieve bestedingen van de chirurg structureel hoger zijn dan de inkomsten die hij geniet;
- er in 2010 geen afspraken zijn gemaakt tussen de bv en de chirurg met betrekking tot de schulden;
- de chirurg in privé nauwelijks middelen heeft om de schulden terug te betalen;
- de chirurg na 2010 de schulden, zonder noemenswaardige zekerheden, explosief heeft laten stijgen.
Het hof acht het aannemelijk dat de schulden onder deze omstandigheden niet kunnen en zullen worden afgelost en dat de bv en de chirurg zich daarvan bewust moeten zijn geweest. Maar de Hoge Raad oordeelt anders. Ten eerste wijst de Hoge Raad het standpunt van de chirurg af. Ook als een aangifte is ingediend onder horizontaal toezicht is er pas sprake van opgewekt vertrouwen als de inspecteur ten aanzien van een bepaald punt bewust een standpunt heeft ingenomen. Dat is hier niet gebeurd.
De Hoge Raad is het vervolgens ook niet eens met het hof. Het hof heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen onttrekkingen die plaatsvinden op het moment van het verstrekken van de leningen en onttrekkingen die later ontstaan, doordat de bv haar rechten vrijwillig prijsgeeft. In dit laatste geval had het hof moeten aangeven en motiveren tot welk bedrag de bv haar rechten vrijwillig heeft prijsgegeven. Uit de door het hof genoemde omstandigheden volgt namelijk niet dat de bv haar rechten in 2010 heeft prijsgegeven. Ook volgt hieruit niet dat er een vermogensverschuiving heeft plaatsgehad naar de aandeelhouder (chirurg), met de bedoeling om hem te bevoordelen. Ook in dat opzicht is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. Verwijzing moet volgen. De opgelegde vergrijpboete vanwege grove schuld zal daarbij ook opnieuw moeten worden beoordeeld.