Fiscaal

Reëel herinvesteringsvoornemen aanwezig – HIR terecht gevormd

gepubliceerd op: 30 januari 2025

Een bv bezit onroerende zaken, waarin zij speelhallen exploiteert. Zij verkoopt tussen 2010 en 2012 vrijwel al haar onroerende zaken en lost met de opbrengst haar hypothecaire en kortlopende schulden af. De boekwinsten brengt de bv onder in een herinvesteringsreserve (HIR). De inspecteur vindt dat de bv geen HIR kan vormen, omdat een herinvesteringsvoornemen ontbreekt. De Hoge Raad gaf hem geen gelijk en verwees de zaak naar Hof Den Bosch om uit zoeken of de voorgenomen herinvestering realiseerbaar was binnen de 3-jaarstermijn. Het hof oordeelt nu dat de bv een reëel herinvesteringsvoornemen had.

De Hoge Raad oordeelde in 2022 dat het voor de vorming van een HIR niet vereist is dat het herinvesteringsvoornemen realiseerbaar is in het jaar van de vervreemding van het bedrijfsmiddel. De Hoge Raad voegde hieraan toe dat er geen HIR kan worden gevormd of gehandhaafd wanneer het redelijkerwijs niet te verwachten is dat de voorgenomen herinvestering zal kunnen plaatsvinden binnen de 3-jaarstermijn.

Hof Den Bosch oordeelt nu dat een concreet plan voor een vervangende investering in 2010 (het jaar van de verkoop) niet vereist is voor het vormen van een HIR. De bv toont met bescheiden (kopieën van correspondentie met makelaars en taxatierapporten) aan dat zij vanaf 2011 actie heeft ondernomen om te investeren in diverse panden. Dit herinvesteringsvoornemen was ook reëel, omdat zij haar benarde financiële situatie in 2010 al in 2011wist om te buigen naar positieve resultaten en een positief werkkapitaal. Bovendien konden eventuele herinvesteringen mogelijk ook worden gedaan uit een bankkrediet, zoals blijkt uit de correspondentie met ABN AMRO.

Andere bedrijfsactiviteiten
De inspecteur stelt dat de bv het voornemen had om andere bedrijfsactiviteiten (verhuur) te willen ontplooien in de nieuw aan te kopen panden dan in de verkochte panden (speelhallen). Vorming van een HIR is dan niet toegestaan. Volgens het hof sluit de belangstelling voor andere bedrijfsactiviteiten niet uit dat de bv in haar zoektocht naar nieuwe investeringen ook oog had voor panden waarin zij zelf een speelhal kon gaan exploiteren. Dit blijkt ook uit correspondentie over de overname van een bedrijf dat speelhallen exploiteerde in Spanje.
Het hof vernietigt de navorderingaanslag over 2010 en vermindert de aanslag over 2011.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.