Fiscaal

Stringent besluit geruisloze inbreng biedt geen ruimte om af te wijken

gepubliceerd op: 25 mei 2023

Een echtpaar drijft in firmaverband een onderneming die zich bezighoudt met de verhuur en lease van machines en installaties voor de bouw. Het echtpaar richt in 2008 een bv op die zich bezighoudt met het beheer van aandelen en andere vermogensbestanddelen. In 2019 worden de statuten van deze bv gewijzigd in verband met een latere inbreng van de firma en het uitzakken van de onderneming in een nog op te richten werk-bv. Het echtpaar verzoekt de inspecteur om een geruisloze inbreng. De inspecteur wijst dit verzoek af, omdat niet wordt voldaan aan een van de goedkeuringen voor inbreng in een bestaande bv. Maar is dat terecht?

Het echtpaar stelt in beroep dat de Wet IB 2001 en het besluit geruisloze omzetting, naar doel en strekking uitgelegd, niet in de weg staan aan de geruisloze inbreng.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat met de goedkeuringen in het besluit (onderdeel 3) invulling wordt gegeven aan de in artikel 63 AWR neergelegde bevoegdheid van de minister om de hardheidsclausule toe te passen. Het stringent geformuleerde besluit biedt de inspecteur geen ruimte om af te wijken van de voorwaarden die in onderdeel 3 aan de goedkeuringen worden gesteld. Nu het aan de minister is om over de toepassing van de hardheidsclausule te beslissen, is de rechtbank niet bevoegd om dit beleid te toetsen. De afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng moet in stand blijven.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.