Fiscaal

Tweede woning zonder rendement behoort tot box-3-grondslag

gepubliceerd op: 03 mei 2017

Een man bezit effecten, spaartegoeden en een tweede woning. Hij meent dat zijn box-3-vermogen te hoog is vastgesteld, omdat er met de woning geen rendement wordt behaald. De woning is onverkoopbaar en verhuur en permanente bewoning zijn niet toegestaan. Bij de vaststelling van het box-3-vermogen wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende vermogensbestanddelen. Ook vermogensbestanddelen die geen of nauwelijks rendement opleveren behoren tot de grondslag van box 3, oordeelt Rechtbank Den Haag. Bovendien worden ook positieve vermogensmutaties als rendement aangemerkt. De man maakt ook niet aannemelijk dat de box-3-heffing leidt tot een individuele en buitensporige zware last.

Sinds 1 januari 2017 is de aard en omvang van het vermogen wel van belang voor de box-3-heffing. Sindsdien bestaat de grondslag van box 3 uit een vermogensmix. Deze vermogensmix bestaat ‘uit sparen, onroerende zaken, aandelen en obligaties en wordt verdeeld in twee rendementsklassen. Rendementsklasse I betreft ‘sparenâ en rendementsklasse II betreft ‘beleggen’. Voor de rendementsklasse ‘sparen’ bedraagt het forfaitair rendement in 2017 1,63% (in 2018: 1,30%), voor de rendementsklasse ‘beleggen’ 5,39% (in 2018: 5,38%).

De hoogte van de box-3-grondslag (box-3-vermogen -/- heffingsvrij vermogen) bepaalt hoe het vermogen over deze rendementsklassen geacht wordt te zijn verdeeld. Hoe hoger het vermogen, des te meer de box-3-heffing van het laag belaste ‘sparen’ verschuift naar het hoog belaste ‘beleggen’.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.