Verhuurderheffing bij mede-eigendom leidt tot willekeur
Een man bezit samen met zijn twee broers dertien sociale huurwoningen. Omdat de gemeente aan hem de WOZ-beschikking heeft uitgereikt, legt de fiscus aan hem de verhuurderheffing op. Zijn broers worden daarvoor niet aangeslagen. De man was het hier niet mee eens. Terecht, oordeelt de Hoge Raad. Het systeem waarbij de aanslag verhuurderheffing wordt opgelegd aan degene die de WOZ-beschikking ontvangt, leidt tot willekeur. Ook wordt er ten onrechte van uitgegaan dat de man de verhuurderheffing naar rato van hun mede-eigendom kan verhalen op zijn broers. De Belastingdienst moet de betaalde verhuurderheffing teruggeven.
De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen anders te behandelen als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Maar is er voor het onderscheid geen duidelijke redelijke grond, dan leidt het onderscheid tot strijd met het discriminatieverbod. De rechtbank en het hof oordeelden dat het onderscheid niet evident van een redelijke grond was ontbloot. Zij verwezen hiervoor naar de praktische uitvoerbaarheid om de aanslag verhuurderheffing op te leggen aan degene die de WOZ-beschikking ontvangt. Bovendien wijzen de rechtbank en het hof erop dat tijdens de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat degene die bij mede-eigendom de aanslag verhuurderheffing krijgt, deze kan verhalen op de mede-eigenaren.
Andere standpunt Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt echter anders. De wetgever heeft er vanuit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid voor gekozen om de aanslag verhuurderheffing op te leggen aan de degene die de WOZ-beschikking krijgt. Dit mag echter niet zover gaan dat de regeling leidt tot willekeurige uitkomsten. Bovendien is het uitgangspunt onjuist dat de verhuurderheffing zonder meer verhaalbaar is op de andere mede-eigenaren.