Fiscaal

Verkrijging ik-oma-testament is legaat en geen lastbevoordeling

gepubliceerd op: 28 november 2019

Een erflaatster legateert in 1996 aan ieder van haar vijf kleinkinderen een onvoorwaardelijke vordering van € 104.423 ten laste van de verkrijging van haar dochter (de tante van de kleinkinderen). Deze vorderingen zijn opeisbaar bij haar overlijden. De dochter erft bijna € 470.000 en verklaart vervolgens dat zij de bedragen schuldig is aan de kleinkinderen. Als de dochter in 2014 overlijdt zijn de vorderingen opeisbaar. Een van de kleinkinderen geeft in zijn aangifte erfbelasting een fictieve verkrijging aan van € 10.479. Hij meent dat er sprake is van een legaat. Terecht, aldus de Hoge Raad. Uit het testament van oma blijkt dat de vordering krachtens legaat is verkregen.

Volgens de inspecteur is artikel 10, lid 1 SW van toepassing. Volgens hem is er sprake van een lastbevoordeling van € 104.423, die in de heffing van erfbelasting moet worden betrokken. Volgens de Hoge Raad heeft het kleinkind echter een legaat verkregen. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat het kleinkind krachtens het testament van oma bij haar overlijden een onvoorwaardelijke, bepaalbare vordering heeft verkregen op de tante, die opeisbaar is bij haar overlijden. Volgens de Hoge Raad bevat het testament geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de verkrijging mede afhankelijk is van een schuldigerkenning of andere rechtshandeling door de tante. Het kleinkind heeft op grond van artikel 10, lid 9 SW terecht de vordering in zijn aangifte erfbelasting opgenomen als fictieve verkrijging voor een waarde van € 10.479.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.