Verkrijging krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht?
De vader en moeder van belanghebbende zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd met daarin een verrekenbeding. Als vader in 1998 overlijdt zijn belanghebbende en zijn zus erfgenamen. Aan hun moeder is het vruchtgebruik van de nalatenschap gelegateerd. Moeder heeft op het moment van overlijden van vader meer vermogen dan vader. Zij doet in de overlijdensaangifte van vader een verzoek om de waarde van hun vermogens bij helfte te verdelen. Belanghebbende en zijn zus krijgen daardoor een vordering op hun moeder. Als moeder overlijdt, stellen zij dat zij de vordering op moeder hebben verkregen op grond van huwelijksvermogensrecht. De Hoge Raad ziet dit anders.
Belanghebbende en zijn zus stellen dat hun moeder bij het overlijden van hun vader uitsluitend een verplichting uit de huwelijkse voorwaarden heeft uitgevoerd. Hierdoor hebben zij de vordering (€ 1.770.177) krachtens huwelijksvermogensrecht verkregen en niet krachtens een fictieve erfrechtelijke verkrijging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft beslist dat het inroepen van het verrekenbeding na het overlijden van vader niet meer mogelijk was. Die mogelijkheid blijkt niet uit de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De vordering op moeder is bij haar overlijden voor belanghebbende en zijn zus daarom een belaste fictieve erfrechtelijke verkrijging.
Tip
In deze zaak ging het mis, omdat het verrekenbeding onduidelijk was geformuleerd met betrekking tot het verrekenmoment. Er was namelijk niet bepaald dat wanneer een van beide partners zou overlijden, de langstlevende partner verplicht zou zijn om het verrekenbeding toe te passen.
Het is dus van groot belang om een verrekenbeding duidelijk te formuleren, zodat dit niet voor meervoudige interpretatie vatbaar is.