Verlengde navordering terecht bij voldoende contactmomenten
Een dochter aanvaardt in 2002 het aandeel in de nalatenschap van haar in 2001 overleden vader. De inspecteur successierecht ontdekt pas in 2017 dat de dochter beschikt over een saldo van € 1,5 miljoen op een Zwitserse bankrekening. De dochter geeft toe dat zij dit niet heeft aangegeven in de aangifte erfbelasting. In mei 2019 legt de inspecteur met toepassing van de verlengde navorderingstermijn alsnog een aanslag successierecht op van ruim € 370.000. Terecht, oordeelt Rechtbank Den Haag. Er is geen strijd met het artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en de inspecteur heeft voldoende voortvarend gehandeld.
De verlengde navorderingstermijn van artikel 66, lid 4 SW dient ertoe om in buitenlandsituaties belastingfraude te bestrijden en om doeltreffende fiscale controles te waarborgen. Volgens de rechtbank is in deze zaak geen sprake van strijd met artikel 1 EP EVRM. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 augustus 2021, met grenzen waarbinnen het gebruik van een verlengde navorderingstermijn toelaatbaar is. Daaraan is in deze zaak voldaan. De inspecteur heeft de verlengde navorderingstermijn niet gebruikt op een wijze die verder gaat dan noodzakelijk is, om de hiervoor genoemde doelen te bereiken.
Ook heeft bij voldoende voortvarend gehandeld. Er zijn regelmatig contactmomenten tussen de dochter en de inspecteur geweest. Daarbij is geen enkele pauze ontstaan, die langer heeft geduurd dan zes maanden.