Voortzettende zus mag bedrijf geruisloos doorschuiven en inbrengen na overlijden broer
Een broer en zus werken samen in een vof, die zich vanaf 2013 uitsluitend bezighoudt met akkerbouw. De broer werkt met loonwerkers op het land en de zus verzorgt de planning, de administratie, ze bepaalt de prijzen en neemt ondernemersbeslissingen. In februari 2016 overlijdt de broer. De zus is de enige erfgename. Zij verzoekt om toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 3.62 Wet IB en zet de onderneming aanvankelijk voort als eenmanszaak. Later in 2016 brengt zij de zaak in een bv in en verzoekt om geruisloze inbreng. De inspecteur weigert beide verzoeken. De zus verricht namelijk te weinig arbeid, waardoor er sinds het overlijden van de broer sprake is van normaal vermogensbeheer.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt eerst dat het voor het bestaan van een onderneming niet relevant is wie welke werkzaamheden verricht binnen het bedrijf, maar dat de verrichte arbeid in het geheel bezien van voldoende omvang is. Tot het overlijden van de broer was er geen geschil over het bestaan van de onderneming van de broer en zijn zus. De bedrijfsactiviteiten zijn na het overlijden van de broer niet wezenlijk gewijzigd. De omvang van de arbeid van de zus was tot dan toe kennelijk voldoende.
De zus loopt ook na het overlijden van de broer ondernemersrisico, nu zij de onderneming voor haar rekening en risico heeft voortgezet. Zij heeft haar deel van de onderneming niet gestaakt. De inspecteur heeft de verzoeken ten onrechte geweigerd. Omdat de zus de gezamenlijk onderneming heeft voortgezet, is ook het deel van de onderneming van de broer dus niet gestaakt door zijn overlijden. Dit deel is geruisloos doorgeschoven naar de zus en vervolgens geruisloos ingebracht in de bv. De rechtbank draait daardoor ook de IB-heffing over de stakingswinst van de broer terug.