Onderneming en Recht

Afwijzing faillissementsaanvraag wegens belastinguitstel

gepubliceerd op: 17 november 2020

Een van de crediteuren van een onderneming vraagt het faillissement aan. Als steunvordering overlegt de crediteur een vordering van de Belastingdienst met een (schriftelijke) verklaring, waaruit blijkt dat er sprake is van een vordering die invorderbaar is. De Belastingdienst laat invordering slechts achterwege, omdat zij betalingsuitstel heeft verleend in het kader van de steunmaatregelen van de overheid vanwege corona. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de vordering van de fiscus niet invorderbaar is en de hoogte van de vordering van de Belastingdienst niet bekend is.

Om aan te kunnen tonen dat er meerdere schuldeisers zijn, hoeft de schuldeiser over slechts één steunvordering te beschikken. Het bestaan van deze steunvordering moet tijdens de faillissementszitting summier worden aangetoond. Dat kan bijvoorbeeld door een document te overleggen waaruit de naam van de schuldeiser blijkt en het bedrag van de schuld. De Hoge Raad heeft over steunvorderingen van de Belastingdienst vaak een oordeel geveld. In de kern komt het erop neer dat de vordering van de Belastingdienst als steunvordering bij een faillissementsaanvraag mag dienen. Oók als de Belastingdienst geen executiemaatregelen neemt.

De afwijzing van de rechtbank op de faillissementsaanvraag – vanwege het feit dat de vordering van de Belastingdienst niet invorderbaar is – valt dan ook niet te rijmen met de geldende jurisprudentie en de feitelijke situatie rond deze zaak. Deze uitspraak betekent in ieder geval niet dat er zomaar van uit mag worden gegaan dat belastingschulden geen doorslaggevende rol meer zullen spelen bij de aanvraag van een faillissement.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.