Fixatiebeginsel bij girale betaling ondanks debetsaldo
Wanneer een onderneming failliet gaat, wordt er een curator aangesteld om het faillissement af te handelen. De curator is hierbij gebonden aan wettelijke regels. Op grond van het fixatiebeginsel kan de curator bijvoorbeeld een betaling die na faillissement aan een schuldeiser is voldaan terugvorderen, voor zover deze betaling heeft geresulteerd in een vermindering van het actief of een vermeerdering van het passief van de boedel. Is hiervan ook sprake als er na faillissement een girale betaling is voldaan aan een schuldeiser, terwijl er op de bankrekening van de gefailleerde voor betaling al een negatief saldo stond?
Volgens de Hoge Raad resulteert deze betaling niet in een vermindering van het actief van de boedel. Er is evenmin sprake van een vermeerdering van het passief van de boedel. De betaling leidt (in feite) wel tot een vermeerdering van de schuld aan de bank, maar de boedel is hiervoor niet aansprakelijk nu de boedel hierbij niet is gebaat (artikel 24 Fw). De curator kan het betaalde bedrag niet terugvorderen op grond van artikel 23 Fw. Er is volgens de Hoge Raad ook een ontoelaatbare doorbreking van het paritas creditorum. Volgens het paritas creditorum hebben schuldeisers recht op een gelijke behandeling bij de voldoening van hun vorderingen uit (de opbrengst van) de goederen van de schuldenaar. In deze situatie heeft de betaling aan de schuldeiser echter niet plaatsgevonden uit een actief van de boedel, waardoor er ook geen aanspraak op de boedel is ontstaan.