Franchiseovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd
Een franchisegever sluit in 1997 een franchiseovereenkomst met een BV. De BV wordt het uitsluitend recht verleend om als zelfstandig ondernemer een snackbar te drijven. In november 2006 laat de franchisegever de BV weten dat zij de franchiseovereenkomst na de expiratiedatum opzegt, omdat de BV niet bereid is om de meest recente standaard franchiseovereenkomst te ondertekenen noch hierover in overleg te gaan. Volgens de overeenkomst kan de franchisegever slechts opzeggen als van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren. Die situatie doet zich niet voor, oordeelt Rechtbank Rotterdam. De opzegging is niet rechtsgeldig.
Centraal in deze zaak staat de uitleg van de bepaling over de opzegbevoegdheid. Volgens de franchisegever moet het uitgangspunt zijn dat een overeenkomst voor bepaalde tijd in principe eindigt van rechtswege, zodra de looptijd is verstreken. De expiratiedatum is volgens haar een dode letter als zij tegen die datum de overeenkomst niet of slechts onder strenge voorwaarden mag opzeggen.
Haviltexcriterium
De rechtbank toetst de bepaling aan het Haviltexcriterium. De Hoge Raad introduceerde dit criterium in 1981 voor situaties waarin het onduidelijk is wat er feitelijk is afgesproken. De rechtbank toetst met toepassing van dit criterium of de uitleg die de franchisegever aan de opzegbepaling in de franchiseovereenkomst geeft, redelijk is op grond van de feiten en omstandigheden. Gezien de bewoordingen van die bepaling, oordeelt de rechtbank in deze zaak als volgt: de franchisegever heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangereikt om te kunnen concluderen dat de bedoeling van partijen is geweest dat de franchiseovereenkomst zonder meer op de expiratiedatum zou kunnen worden beëindigd door opzegging. De wens om via standaardcontracten meer uniformiteit te bereiken, de geringe medewerking van de BV en klachten van klanten van de snackbar van de BV rechtvaardigen de opzegging niet.