Rechter schuift verzoek afkoelingsperiode aan de kant in WHOA-zaak
Rechtbank Noord-Nederland deed op 29 januari 2021 opnieuw uitspraak in een WHOA-zaak. De zaak is als volgt: een verhuurder heeft een vordering van een kleine vijf ton en heeft beslag gelegd. De schuldenaren (de vof) betwisten de vordering niet, maar zij kunnen deze niet betalen. Daarom vragen zij de rechter om een afkoelingsperiode en om opheffing van de beslagen op de bankrekeningen en twee woningen van de vennoten van de schuldenaar (de vof). De rechtbank wijst de gevraagde algemene afkoelingsperiode en de gevraagde specifieke opheffing van beslagen uiteindelijk af. Deze vallen niet onder de reikwijdte van de in de Faillissementswet opgenomen afkoelingsperiode.
Op basis van art. 376 lid 1 Faillissementswet (Fw) kan de schuldenaar om een afkoelingsperiode vragen als een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- de schuldenaar heeft een akkoord aangeboden als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw;
- de schuldenaar heeft toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden;
- de rechtbank heeft overeenkomstig artikel 371 Fw een herstructureringsdeskundige aangewezen.
De rechtbank stelt vast dat er aan geen van deze voorwaarden is voldaan. Ook is niet expliciet toegezegd dat er binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
Tip
Een beroep op de afkoelingsperiode moet op de juiste gronden worden gedaan. Uit deze uitspraak blijkt dat de rechter niet zomaar tot toewijzing overgaat. Een afkoelingsperiode wordt beoordeeld in het kader van het tot stand brengen van een akkoord. Er moet duidelijk en gemotiveerd worden betoogd dat een afkoelingsperiode in het belang is van de onderneming en haar gezamenlijke schuldeisers.
Heb je vragen over de mogelijkheden van een WHOA-verzoek? Neem dan contact op met onze specialist ondernemingsrecht Denise van Zijl via vanzijl@keistadadvocaten.nl of (06) 233 72 324.