Onderneming en Recht

Vertegenwoordigingsbevoegdheid; borgstelling wel of niet tot stand gekomen

gepubliceerd op: 19 december 2018

Een advocaat heeft juridische diensten verricht aan een dga en zijn bv inzake drie in Spanje gevestigde sportscholen. Als de bv in zwaar weer terechtkomt, neemt een nv de aandelen van de dga over. De advocaat en de bestuurder/aandeelhouder van de nv maken telefonische afspraken over de betaling van de openstaande facturen van de dga en zijn bv. Dit wordt in e-mails en verklaringen bevestigd. Toch betalen de bestuurder en de nv de facturen niet, omdat de bestuurder niet bevoegd zou zijn de nv te vertegenwoordigen. Van onbevoegde vertegenwoordiging kan geen sprake zijn, aldus de Hoge Raad.

De vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder vloeit namelijk voort uit de wet en ligt als zodanig vast in artikel 2:130, lid 2 BW. Omdat niet vaststaat of er eventuele beperkingen zijn van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid, staat die bevoegdheid vast. De vraag of er sprake is van toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan dan niet aan de orde zijn.

Andere invalshoek
De Hoge Raad beoordeelt de zaak ook nog vanuit een mogelijk andere invalshoek. In het oordeel van het hof kan namelijk ook besloten liggen dat de bestuurder voor zichzelf heeft gehandeld en niet als vertegenwoordiger van de nv. In dat geval speelt de vraag of bij het maken van de borgstellingsafspraken het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de bestuurder handelde als vertegenwoordiger van de nv. Daarvoor is van belang wat de advocaat en de bestuurder tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit die verklaringen en gedragingen mochten afleiden. De zaak wordt daarvoor verwezen naar Hof Den Haag.

Voor vragen over ondernemingsrecht kun je terecht bij mr. drs. Denise van Zijl-van Hengel,
advocaat arbeids- en ondernemingsrecht | incasso specialist

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.