Onderneming en Recht

Vordering niet afdwingbaar door schuldsaneringsregeling beherend vennoot

gepubliceerd op: 12 december 2017

Een bv dagvaardt in juni 2001 een beherend vennoot van een cv en vordert ontbinding van de overeenkomst die tussen haar en de cv is gesloten en ruim € 46.000. In september 2001 wordt de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard ten aanzien van de beherend vennoot. Daarna wordt in maart 2002 de vordering van de bv toegewezen. Op 19 oktober 2004 eindigt de schuldsaneringsregeling, waarbij aan de beherend vennoot een zogenoemde 'schone lei' wordt verleend. De bv probeert haar vordering op de beherend vennoot alsnog te innen. Zonder succes. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de vordering onder de schuldsaneringsregeling valt, waarop de verleende 'schone lei' betrekking heeft.

Het verlenen van ‘een schone lei’ vindt plaats op grond van artikel 358, lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij geldt dat vorderingen vervallen als zij onder de schuldsaneringsregeling vallen. In deze zaak moest dus worden vastgesteld of de vordering van de bv op de cv onder de schuldsaneringsregeling viel. Daartoe stelde het hof eerst vast dat de beherend vennoot contractspartij was bij het sluiten van de overeenkomst tussen de bv en de cv. De bv heeft daardoor een vordering op de beherend vennoot uit hoofde van nakoming. De overeenkomst is gesloten vóór de inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling en is ontbonden tijdens de schuldsanering. In dat geval bepaalt artikel 299, lid 1b Fw dat de schuldsanering ook werkt ten aanzien van de vordering van een derde (i.c. de bv) op de beherend vennoot. Dit betekent dat de aan het eind van de schuldsaneringsregeling verleende ‘schone lei’ ook betrekking heeft op deze vordering, waardoor deze op grond van artikel 358, lid 1 Fw niet meer in rechte afdwingbaar is.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.