Uiterste uitkeringstijdstip bancaire lijfrente en ODV
Fiscaal dient een oudedagslijfrente uiterlijk in kalenderjaar AOW + 5 jaar in te gaan, afgezien van de wettelijke beslistermijn. Bij een verzekerde lijfrente houdt dat bij postnumerando uitkeringen (de termijnen vervallen aan het eind van de perioden) in dat de eerste uitkering ook in kalenderjaar AOW + 6 mag zijn. Bij een bancaire lijfrente is er destijds voor gekozen dat in AOW + 5 jaar de eerste termijn moet zijn uitgekeerd. Daar gaat het dus niet om het contractuele ingangstijdstip van de uitkerende lijfrente. Bij de ODV speelt hetzelfde; daar is bepaald dat de eerste ODV-termijn binnen twee maanden na het bereiken van de AOW moet worden uitgekeerd.
Het gaat zelfs nog verder, want in V&A 17-029 staat dat na omzetting van het DGA-pensioen de eerste ODV-uitkering direct bij omzetting feitelijk uitgekeerd moest worden. In de praktijk van uitkeringstermijnen met achterafbetalingen zal men massaal in overtreding zijn geweest.
Het goede nieuws is dat voor lijfrenten in de Fiscale Verzamelwet 2025 een wijziging van artikel 3.126a wordt voorgesteld, waarbij “en de eerste termijn wordt uitgekeerd” wordt vervangen door “worden vastgesteld”. Daarna wordt toegevoegd “en waarbij de eerste termijn uiterlijk wordt uitgekeerd in het jaar na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet”. Het duurt dus nog tot 1 januari 2025 voordat dit rare onderscheid met verzekerde lijfrenten wettelijk zal zijn opgelost. Voor de ODV zouden wij willen pleiten voor een analoge toepassing, waarbij de feitelijke (eerste) uitkeringsdatum niet langer fiscaal doorslaggevend is.