Arbeid en Recht

Wev bepalend voor waardering lunch op kantoor

gepubliceerd op: 02 april 2019

Voor de waardering van de lunch is de wev bepalend. Het normbedrag van € 3,35 (2019) was in de zaak in het voorgaande item niet van toepassing, omdat de wev meestal lager was. Hier komt ook nog de eigen bijdrage van de werknemers op in mindering, waardoor er per saldo geen loonvoordeel te belasten is. Maar moeten maaltijden nu worden gewaardeerd op de wev of op de factuurwaarde? De werkgever wil uitgaan van de factuur van de groothandel en de supermarkt waar zij haar inkopen doet. De Belastingdienst wil voor de wev uitgaan van twee boterhammen met een gebakken ei en een glas melk in een lunchroom of restaurant. Wie heeft hier het gelijk aan zijn kant?

Volgens de rechtbank ontbreekt een factuurwaarde, omdat onderdelen van het totaalpakket, zoals de kosten van de interne dienst, niet door een derde in rekening worden gebracht. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.

 

Moet er worden uitgegaan van het normbedrag?
In de Wet LB staat dat nadere regels worden gesteld, waardoor de waarde van loon in natura op een lager bedrag kan worden gesteld dan de wev of de factuurwaarde. Dat is onder andere gebeurd voor maaltijden op de werkplek, waarbij de waarde wordt gesteld op € 3,35 (2019). De rechtbank gaat hier zeer uitgebreid op in, maar concludeert uiteindelijk dat de waarde van een maaltijd alleen nog op een lager bedrag dan de wev kan worden gesteld. En dus niet op een hoger bedrag.

 

Wat is dan de te belasten waarde van de maaltijden?
Volgens de rechtbank geldt het normbedrag alléén als de wev hoger is dan het normbedrag van € 3,35 (2019). Maar niet alle aan de werknemers in rekening gebrachte bedragen zijn per se gelijk aan de wev. De wev is immers gelijk aan de prijs die een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een cateraar) in rekening zou brengen voor het totaalpakket, inclusief alle servicecomponenten. De werkgever heeft echter onweersproken gesteld dat aan haar werknemers niet alleen de inkoopkosten van de losse componenten en ingrediënten in rekening zijn gebracht, maar ook een opslag om te komen tot de in rekening gebrachte bedragen. De bewijslast dat de waarde hoger moet zijn, ligt bij de Belastingdienst. Die heeft in wezen niets anders ingebracht dan een verwijzing naar de lunch in een horecagelegenheid, zoals een lunchroom of restaurant. Die vergelijking gaat niet echter niet op. De opmerking van de Belastingdienst over de indirecte kosten (gebouw, personeel, bereiding) is niet gekwantificeerd. Kortom, het normbedrag voor maaltijden is niet van toepassing, omdat de wev lager is. Hier komt dan nog de eigen bijdrage van de werknemer op in mindering, zodat er per saldo geen loonvoordeel te belasten is.

 

Commentaar
De rechtbank rekent de bereiding van de maaltijden, het bestek en de afwas tot de wev, maar de Belastingdienst wilde ook de indirecte kosten (gebouw, personeel, bereiding) tot de wev rekenen. Hierbij wordt naar mijn mening over het hoofd gezien dat een voorziening op de werkplek, waarvan het niet gebruikelijk is om deze elders te gebruiken, op nihil moet worden gewaardeerd. Hierbij is bijvoorbeeld gedacht aan ‘het genot van de inrichting van de werkplek in brede zin, waaronder het gebruik van de werkplek zelf’. In mijn optiek valt daar ook het inrichten en schoonmaken van de werkplek door de interne dienst onder. Het kan dan niet de bedoeling zijn dat de kosten van het bereiden van een maaltijd of die van het gebouw tot de wev van de maaltijd worden gerekend.

 

Hans Tabak, adviseur loonheffingen | internationaal | trainer, tel. 0575-433555 of e-mail naar h.tabak@fiscount.nl.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.