Geen vrijgestelde onderwijsdienst maar belaste terbeschikkingstelling personeel
Een stichting richt zich op het tijdelijk inzetten van haar docenten op basisscholen. De stichting meent dat zij over de vergoeding voor deze diensten geen btw verschuldigd is, omdat de onderwijsvrijstelling daarop van toepassing zou zijn. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt echter anders. De docenten zijn in dienst van de stichting en werken dus niet als zelfstandigen op de basisscholen, maar door tussenkomst van – en in een verhouding van ondergeschiktheid – tot de stichting. Daarom is de aard van de diensten van de stichting relevant voor de beoordeling en niet de werkzaamheden van de docenten op de scholen. Hoe loopt dit af?
De rechtsverhoudingen die zijn afgesproken in de overeenkomsten met de basisscholen wijzen er volgens de rechtbank op dat er sprake is van het ter beschikking stellen van personeel. Uit de gemaakte afspraken blijkt ook dat de docenten onder de verantwoordelijkheid van de basisscholen vallen. De scholen moeten namelijk doorbetalen bij ziekte of zorgverlof van de docent en de stichting hoeft niet voor vervanging te zorgen. Als een onderwijsdienst zou zijn geleverd, dan ligt het voor de hand dat de stichting het risico van afwezigheid van een docent draagt en ervoor moet zorgen – dat de onderwijsdienst dan toch wordt uitgevoerd. Verder wijst ook de bepaling in de overeenkomst dat de basisscholen in verregaande mate verantwoordelijk zijn voor het verzorgde onderwijs – erop dat de stichting geen onderwijsdienst verricht, maar personeel ter beschikking stelt dat tijdelijk het onderwijs op de scholen verzorgt. Deze dienst valt niet onder de onderwijsvrijstelling.