A-G: wettelijke handelsrente is onderdeel van row
Een man doet in 2001 onderzoek naar – en ontwikkelt plannen voor – de bouw van recreatiewoningen in een bepaald gebied. In 2005 gaat hij een samenwerkingsovereenkomst aan met een zakenpartner. Daarbij spreken zij af dat de zakenpartner van een investeerder € 1,85 miljoen zal bedingen voor de bemiddeling. Daarvan zou de man € 500.000 ontvangen, maar die vergoeding blijft uit. Na jarenlang procederen ontvangt de man zijn € 500.000, verhoogd met € 291.050 wettelijke handelsrente. De man rekent alleen het bedrag van € 500.000 tot zijn row. Maar is dat terecht?
De inspecteur meent dat de man ook de vergoeding van de wettelijke handelsrente tot zijn row moet rekenen en legt een navorderingsaanslag op. Rechtbank Zeeland-West-Brabant geeft de inspecteur gelijk. In reactie daarop tekent de man (sprong)cassatie aan. Ook Advocaat-Generaal Koopman meent dat de wettelijke handelsrente tot het resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend.
De A-G toetst de uitspraak van de rechtbank aan een beslisschema, gedestilleerd uit de rechtspraak en literatuur met omstandigheden die relevant zijn voor de toerekening aan de winstsfeer. Dit beslisschema leent zich ook voor de toerekening aan de bron row. De A-G concludeert dat de uitspraak van de rechtbank in overeenstemming is met de criteria uit het beslisschema.
De man moet in zijn hoedanigheid van resultaatgenieter als schuldeiser worden aangemerkt. De vergoeding van de wettelijke handelsrente hangt nauw samen met de vordering van € 500.000. De rentevergoeding vormt een schadevergoeding voor het gemiste rendement over deze vordering. Daardoor behoort ook de rentevergoeding tot het row.