Beschikking FE Vpb mist formele rechtskracht maar wekt mogelijk wel vertrouwen op
Een bv drijft een groothandel in bouwmaterialen. Zij investeert in een zeeschip en richt daartoe samen met een coöperatieve vereniging een dochter-bv op. De bv houdt 179 van de 180 aandelen. De dochter-bv en de andere investeerders zijn als stille vennoten toegetreden tot een besloten cv. De bv en dochter-bv verzoeken om als fiscale eenheid voor de Vpb te worden aangemerkt. De inspecteur heeft hiervoor een beschikking fiscale eenheid afgegeven. De bv claimt bij de Vpb-aangifte een verlies van de dochter-bv. De inspecteur volgt de aangifte, maar komt daar later op terug omdat er nooit een FE zou hebben bestaan. Kan hij navorderen?
De bv stelt dat de inspecteur niet kan navorderen en beroept zich op de afgegeven beschikking FE. De Hoge Raad oordeelt echter dat aan een beschikking fiscale eenheid geen formele rechtskracht toekomt, waardoor een fiscale eenheid zou kunnen ontstaan als niet aan de vereisten wordt voldaan. Herziening of intrekking van de FE-beschikking om dit effect te voorkomen is in een dergelijk geval dan ook niet nodig. De FE-beschikking kan wel als een expliciete toezegging worden opgevat, die onder bepaalde omstandigheden het gerechtvaardigd vertrouwen wekt bij betrokken belastingplichtigen dat zij een fiscale eenheid vormen. Verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden moet nu uitzoeken of hiervan sprake is binnen de geldende juridische kaders die de Hoge Raad hiervoor meegeeft.