Fiscaal

Box-3-heffing 2017 niet buitensporig

gepubliceerd op: 08 oktober 2020

Een man en een vrouw die geen fiscale partners zijn, maken beiden bezwaar tegen de IB-aanslag 2017. Zij vinden dat de box-3-heffing voor hen een individuele buitensporige en onevenredige zware last vormt. Hiervoor verwijzen zij naar eerdere hofuitspraken over de box-3-heffing in 2013 en 2014. Hof Amsterdam oordeelt dat de box-3-heffing geen buitensporige zware last vormt voor de man en de vrouw. Zij hebben beiden een netto-inkomen ruim boven de armoedegrens en een behoorlijk vermogen. Daar doet niet aan af dat  de box-3-heffing meer (bij de vrouw zelfs ruim 30%) bedraagt dan de genoten inkomsten uit vermogen.

Commentaar

In tegenstelling tot Hof Arnhem-Leeuwarden (zie hiervoor) neemt Hof Amsterdam in deze zaak wel een beslissing. Volgens het hof is er geen volgorde bepaald waarin moet worden beslist op de massaalbezwaarprocedure dan wel het individuele bezwaar. Daarnaast vindt het hof dat de rechtsvraag waarop de massaalbezwaarprocedure ziet en het geschilpunt in de onderhavige zaak niet zodanig nauw met elkaar zijn verweven, dat de inspecteur geen uitspraak op bezwaar heeft kunnen doen, zonder de uitspraak in de massaalbezwaarprocedure af te wachten.

Het is precies deze verschillende interpretaties van de regelgeving die voor Hof Arnhem-Leeuwarden (zie hiervoor) aanleiding vormt om de prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.