Fictieve afkoop stamrecht na liquidatie bv leidt tot navordering
Een man brengt in 2009 een ontslagvergoeding van een ex-werkgever onder in een eigen stamrecht-bv. Eind 2019 staan op de balans van deze bv onder meer een vordering op de man (dga) van € 164.073, kortlopende schulden € 451 en een stamrechtvoorziening van € 418.581. In 2020 wordt de stamrecht-bv geliquideerd. De inspecteur legt de aanslag IB 2020 op conform de ingediende aangifte, zonder het Vpb-dossier te raadplegen. In 2024 ontdekt de inspecteur bij de afhandeling van de Vpb-aangifte 2020 dat er in 2020 een (fictief) stamrecht is afgekocht. Hij legt vervolgens een navorderingsaanslag IB 2020 op. Maar kan dat wel?
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt. Hij was niet gehouden om bij het opleggen van de aanslag IB 2020 het Vpb-dossier te raadplegen. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat bij de liquidatie van de stamrecht-bv het stamrecht (fictief) is afgekocht. De dga heeft immers bij de liquidatie van deze bv een bedrag ter grootte van het vermogen van de bv genoten en tegelijkertijd is daarmee het stamrecht opgehouden te bestaan. In dat geval wordt de waarde in het economisch verkeer van het stamrecht in de belastingheffing betrokken. De inspecteur heeft daarom terecht een navorderingsaanslag IB 2020 opgelegd, waarbij hij ter zake van de afkoop van het stamrecht € 163.622 (vordering € 164.073 minus kortlopende schulden € 451) als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking heeft genomen.