Geen ambtshalve vermindering door letselschadevergoedingsuitspraak Hoge Raad
Letselschadevergoedingen vanwege een arbeidsongeval behoren in beginsel niet tot het loon. Daarop wordt op grond van jurisprudentie een uitzondering gemaakt als de vergoeding voortkomt uit een bijzondere omstandigheid. De letselschadevergoeding behoort dan wel tot het loon. Op 25 maart jl. heeft de Hoge Raad de uitzondering van ‘bijzondere omstandigheid’ beperkt. Staatssecretaris Van Rij antwoordt op Kamervragen dat deze uitspraak nieuwe jurisprudentie is en geen nadere invulling van bestaande rechtspraak. Het is daarom niet mogelijk om op grond van die uitspraak de ingehouden loonbelasting op letselschadevergoeding die in 2017 of later zijn uitgekeerd via een verzoek om ambtshalve vermindering terug te vragen.
De Hoge Raad oordeelde in het Smeerkuilarrest uit 1983 dat een letselschadevergoeding vanwege een arbeidsongeval toch loon vormt, als het voortkomt uit een bijzondere omstandigheid zoals uit een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad verduidelijkte in 1993 dat hieronder ook een rechtspositionele regeling valt. Op 25 maart jl. beperkt de Hoge Raad deze ‘bijzondere omstandigheden’ weer; een letselschadevergoeding vormt slechts loon als en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtsreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. De Belastingdienst zal voortaan aan dit nieuwe vereiste toetsen of een letselschadevergoeding tot het loon gerekend moet worden of niet.
Naar aanleiding van deze recente Hoge Raad-uitspraak en een artikel in het FD over een mogelijk nieuwe hersteloperatie bij de Belastingdienst, zijn Kamervragen gesteld. Met de antwoorden snijdt de staatssecretaris de weg van de ambtshalve vermindering af.