Geen einde FE met dochter-bv die vanaf oprichting deelneemt
Een holding-bv vormt tot 27 mei 2014 een fiscale eenheid (FE) voor de Vpb met haar twee dochter-bv’s. Diezelfde dag draagt een van de dochter-bv’s twee schepen over aan een nieuw opgerichte tussenholding. De holding-bv brengt daartoe haar onderneming, enkele schepen en de aandelen in de dochter-bv’s in. In de oprichtingsakte van de tussenholding staat dat zij per 1 januari 2014 geacht wordt de onderneming te drijven. Op 12 juni 2014 wordt verzocht om een nieuwe FE met terugwerkende kracht tot 27 mei 2014 tussen de holding-bv, de tussenholding en de oude (klein)dochter-bv’s. Deze FE eindigt al op 10 oktober 2014. Met de fiscus ontstaat een geschil over de totstandkoming van de FE en de toepassing van de sanctiebepaling 15ai Wet Vpb.
De holding-bv stelt dat er nooit een FE met de tussenholding tot stand is gekomen, omdat de toe- en de uittreding van de tussenholding in hetzelfde boekjaar hebben plaatsgevonden. De FE wordt dan geacht nooit te hebben bestaan. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat dit alleen geldt voor bestaande bv’s die toe- en uittreden in hetzelfde boekjaar en niet voor bv’s die vanaf de oprichting deel uitmaken van een FE.
Sanctie artikel 15ai Wet Vpb
Vervolgens staat vast dat er binnen de FE een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden tussen de holding en de tussenholding. De waarde in het economisch verkeer (WEV) van de ingebrachte schepen was op het moment van de overdracht hoger dan de boekwaarde. Bij ontvoeging van de overnemer moeten dan de overgedragen vermogensbestanddelen worden geherwaardeerd naar de WEV. De rechtbank oordeelt dat deze sanctiebepaling (15ia Wet Vpb) van toepassing is. De holding moet daarom Vpb betalen over de waardestijgingen van de ingebrachte schepen.