Geen verlengde navorderingstermijn door ontbreken buitenlandse winst
Een Nederlandse moeder-bv maakt deel van een fiscale eenheid. Binnen de fiscale eenheid verleent een Belgische vof factoringsdiensten aan de dochter-bv’s van de fiscale eenheid. Daarvoor worden vanuit Nederland fees betaald. De Belastingdienst legt over de jaren 2003 en 2007 navorderingsaanslagen op. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar. Ten onrechte, oordeelt Rechtbank Noord-Holland. Er is geen sprake van in het buitenland opgekomen winstbestanddelen, maar van in Nederland opgekomen winstbestanddelen. De navorderingsaanslagen (en boetes) moeten worden vernietigd.
De rechtbank baseert haar oordeel op de reden waarom de wetgever de verlengde navorderingstermijn heeft ingevoerd. Die reden ligt in het feit dat de Belastingdienst minder toereikende controlemogelijkheden heeft bij inkomens- en vermogensbestanddelen die in het buitenland opkomen. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat:
- de fees aan de Belgische vof integraal zijn verantwoord in de jaarrekeningen en Vpb-aangiften;
- de RPA-overeenkomst, alsook de maandelijkse facturen van de fees, de bankafschriften en de transferpricingdocumentatie betreffende de fees steeds aanwezig zijn geweest in de Nederlandse administraties van de dochter-bv’s.
De Belastingdienst had de fees kunnen onderzoeken, omdat de daarvoor benodigde gegevens steeds beschikbaar waren in de Nederlandse administraties van de dochtervennootschappen.
De navorderingstermijn is dan 5 jaar (en niet 12 jaar) en die termijn is inmiddels verstreken. Daarom moeten de navorderingsaanslagen worden vernietigd.