Fiscaal

HIR-dotatie terecht geweigerd wegens ontbreken herinvesteringsvoornemen

gepubliceerd op: 20 mei 2026

Een bv verkoopt in 2019 een bedrijfspand dat tot dan toe wordt verhuurd aan een vennootschap, waarvan de zoon van de dga van de bv middellijk eigenaar is. De boekwinst van € 546.029 voegt zij toe aan een HIR. Volgens de notulen van een directievergadering in juni 2019 zal de boekwinst de komende jaren worden geherinvesteerd in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed. De inspecteur accepteert de dotatie aan de HIR niet. Hij meent dat de bv op de balansdatum geen herinvesteringsvoornemen had en betrekt de boekwinst in de Vpb-aanslag 2019. Wie krijgt gelijk?

Volgens Rechtbank Gelderland moet het herinvesteringsvoornemen op grond van vaste jurisprudentie niet slechts blijken uit de interne wil of bedoeling van de bv op zich, maar op de wil of bedoeling zoals deze in gedragingen en handelingen tot uiting komt. De verklaring van de bv dat zij voornemens is de opbrengst te herinvesteren in één of meer voor de HIR kwalificerende bedrijfsmiddelen, is daarvoor onvoldoende. Het voornemen moet af te leiden zijn uit zekere naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen, waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid. Uit de notulen van de directievergadering in 2019 blijkt slechts het voornemen om te herinvesteren. Deze verklaring wordt echter niet ondersteund door objectieve gegevens die aantonen dat naar buiten toe op herinvestering gerichte activiteiten zijn ontplooid. De inspecteur heeft de dotatie aan de HIR terecht geweigerd en aan de belastbare winst over 2019 toegevoegd.

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.