Recreatiewoning is geen eigen woning
Een man bezit sinds 1997 een recreatiewoning. Vanaf 22 juni 2021 beschikt hij ook over een huurwoning in een andere plaats. Daar staat hij ook ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp). Volgens de man is de recreatiewoning een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. De inspecteur denkt daar anders over en stelt dat deze woning in 2023 geen hoofdverblijf is. Rechtbank Den Haag overweegt dat de man aannemelijk moet maken dat de recreatiewoning in 2023 kwalificeert als eigen woning. Daarvoor moet hij aantonen dat het middelpunt van zijn persoonlijke en economische belangen ligt in de plaats waar de recreatiewoning is gelegen.
Volgens de rechtbank kan de inschrijving in Basisregistratie personen (Brp) een aanwijzing zijn voor waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen bevindt. Maar dit is volgens de rechtbank niet van doorslaggevend belang.
Bepalende omstandigheden
De man slaagt er volgens de rechtbank niet in om aan te tonen dat dit middelpunt in 2023 in de plaats ligt waar de recreatiewoning zich bevindt. De volgende omstandigheden zijn voor dit oordeel doorslaggevend:
- de man bevindt zich in 2023 meestal in de plaats waar de huurwoning is gelegen;
- het merendeel van de uitgaven in 2023 is gedaan in en rondom deze plaats;
- de huurwoning wordt gehuurd om dicht bij de kinderen en kleinkinderen te kunnen zijn;
- het verschil in energieverbruik slaat door naar de huurwoning;
- de sociale activiteiten van de man spelen zich af in de plaats van de huurwoning.